Voedselonzekerheid
Dossier
Bestaanszekerheid
Het aantal voedselbankklanten steeg in 2025 met 7,5 procent naar 155.600. De samenstelling verschuift naar zzp-ers en AOW-ers zonder aanvullend pensioen.
Ruim 450.000 mensen in Nederland leven volgens het Rode Kruis in voedselnood. Het aantal mensen bij de voedselbanken groeit, en de samenstelling verschuift: steeds vaker zzp'ers en ouderen met een onvolledige AOW. Anders dan bij toeslagen of schulden erkent geen enkele uitvoerder of toezichthouder hier een eigen falen; voedselonzekerheid is vooral een meetlat die laat zien dat het inkomen elders tekortschiet. Burgerplatform behandelt dit dossier daarom als indicator: niet de voedselbank is de oplossing, maar het wegnemen van de oorzaken in inkomen, vaste lasten en schulden.
De analyse
Analyse
Voedselonzekerheid: de huidige situatie als referentie
In 2025 ontvingen 155.600 mensen in Nederland hulp van een voedselbank, 7,5 procent meer dan de 144.750 in 2024 (src:2269, src:2250). In 2024 ging het wekelijks om 32.558 huishoudens, waarvan meer dan de helft gezinnen, en was ruim 15 procent van de ontvangers jonger dan 18 jaar (src:2250). In datzelfde jaar maakten 551 duizend mensen deel uit van een arm huishouden, onder wie 93 duizend minderjarige kinderen; nog eens 245 duizend kinderen waren bijna-arm, samen 10,3 procent van alle kinderen in een financieel kwetsbaar gezin (src:2251). Voedselonzekerheid zelf is in Nederland geen officieel en periodiek gemeten grootheid. Er is geen landelijke jaarlijkse statistiek van het aantal huishoudens dat maaltijden overslaat of zich geen volwaardige maaltijd kan veroorloven. Het bereik van de voedselbanken is daardoor het enige harde, jaarlijks gepubliceerde cijfer, en dat telt per definitie alleen mensen die de drempel over komen en aan de toelatingsnorm voldoen. De werkelijke omvang van voedselonzekerheid ligt daarmee met zekerheid hoger dan 155.600 personen, maar hoeveel hoger is met de huidige statistiek niet vast te stellen.
Financieel lek: €
Over dit dossier
Waar dit dossier over gaat
Voedselonzekerheid is de mate waarin huishoudens zich dagelijks een volwaardige maaltijd kunnen veroorloven zonder afhankelijk te zijn van liefdadigheid. In 2025 ontvingen 155.600 mensen hulp van een voedselbank, 7,5 procent meer dan de 144.750 in 2024, verdeeld over 181 lokale voedselbanken met ruim 14.000 vrijwilligers. In 2024 ging het wekelijks om 32.558 huishoudens, waarvan meer dan de helft gezinnen, en was ruim 15 procent van de ontvangers jonger dan 18 jaar. In datzelfde jaar telde het CBS 551 duizend mensen in een arm huishouden, onder wie 93 duizend minderjarige kinderen.
Het probleem achter het probleem
Nederland meet voedselonzekerheid niet. Er is geen landelijke, periodieke statistiek van het aantal huishoudens dat maaltijden overslaat of zich geen volwaardige maaltijd kan veroorloven. Het bereik van de voedselbanken is daardoor het enige jaarlijks gepubliceerde cijfer, en dat telt alleen mensen die aan de toelatingsnorm voldoen en een bereikbaar uitgiftepunt hebben. Dat het aantal klanten in 2024 met ongeveer twintig procent daalde terwijl het aantal uitgedeelde producten met ruim twee miljoen steeg, en in 2025 weer met 7,5 procent opliep, laat zien hoe weinig dat cijfer zegt over de behoefte. Zonder meting is er geen doel, geen trend en geen verantwoording.
Geen recht, maar liefdadigheid
Er bestaat geen wettelijk recht op voedsel. Het laatste vangnet is particulier: ruim 180 lokale voedselbanken die draaien op gedoneerde producten en ruim veertienduizend vrijwilligers. Dat vangnet is niet afdwingbaar, regionaal ongelijk verdeeld en afhankelijk van de toevallige beschikbaarheid van overschotten. De structurele oorzaak ligt een laag dieper: het besteedbaar inkomen op en net boven het sociaal minimum laat na vaste lasten te weinig ruimte voor voedsel, en kortingen en terugvorderingen verlagen dat bedrag verder.
Wat de MKBA laat zien
De referentieanalyse zet een ondergrens neer van 19 tot 58 miljoen euro per jaar, met 38 miljoen als middenwaarde. Dat bedrag is uitdrukkelijk niet de schade van voedselonzekerheid zelf, maar alleen de maatschappelijke waarde van de vrijwilligersuren die nodig zijn om het vangnet draaiende te houden, gewaardeerd tegen het wettelijk minimumuurloon. Gezondheidsschade, gevolgen voor schoolprestaties, zorgkosten en de waarde van het gedoneerde voedsel staan als PM, omdat voor deze populatie geen Nederlandse kengetallen bestaan. Het inkomensverlies van huishoudens is hier niet geteld; dat staat bij de regelingen die het veroorzaken.
Wat kan er gebeuren
De goedkoopste stap is meten: een vaste set vragen over voedselonzekerheid in een bestaande CBS-enquete levert voor het eerst een reeks op waarop beleid kan worden afgerekend. De tweede is aanvullen aan de bron in plaats van distribueren van producten, omdat wie voedselhulp nodig heeft bij de gemeente vrijwel altijd al bekend is uit andere regelingen. De derde is schoolmaaltijden als structurele voorziening in plaats van als project.
In het nieuws