Prijsvorming op de energiemarkt: de huidige situatie als referentie
De energierekening van een huishouden bestaat uit een leveringstarief, netbeheerkosten, energiebelasting en btw, en slechts een deel daarvan beweegt mee met het verbruik. Het leveringsdeel daalde in 2025: de groothandelsprijs voor gas stond op 29 euro per megawattuur en de gemiddelde day-aheadprijs voor elektriciteit op 94 euro per megawattuur, 17 procent lager dan een jaar eerder, en een huishouden met gemiddeld verbruik was daardoor ongeveer 130 euro per jaar goedkoper uit (src:2257). Het netdeel beweegt de andere kant op: in 2026 betaalt een gemiddeld huishouden ongeveer 25 euro per jaar meer aan transporttarieven, een stijging van 3,38 procent, terwijl grote afnemers op het hoogspanningsnet van TenneT 10 tot 12 procent minder gaan betalen (src:2258). In het gebied van Liander stijgen de netbeheerkosten voor huishoudens in 2026 met ongeveer 5 procent voor elektriciteit en ongeveer 11 procent voor gas, samen ongeveer 4 euro per maand (src:2259). Het probleem van dit dossier is niet dat energie duur is, maar dat de samenstelling van de prijs verschuift naar een vast deel dat niet meebeweegt met draagkracht en niet te ontlopen is door zuinig te stoken.
Drie ontwerpkenmerken van de markt bepalen samen wie wat betaalt. Het eerste is marginale prijsvorming op de groothandelsmarkt: de prijs van elektriciteit wordt gezet door de duurste eenheid die nodig is om de vraag te dekken, meestal een gascentrale, ook wanneer het grootste deel van de productie uit goedkopere bronnen komt. Het tweede is de kostentoedeling in de nettarieven: netbeheerders moeten fors investeren in verzwaring, en die kosten komen via gereguleerde tarieven bij afnemers terecht, waarbij huishoudens in 2026 meer gaan betalen en grootverbruikers op het hoogspanningsnet minder (src:2258). Het derde is de krimpende gasgebruikersgroep: naarmate meer huishoudens van het gas af gaan, worden de vaste kosten van het gasnet over minder gebruikers verdeeld, en dat zijn juist de huishoudens die de overstap niet kunnen betalen (src:2258, src:2259). De ACM onderzocht meermaals of leveranciers onredelijke tarieven hanteerden en vond dat niet; de genormaliseerde nettowinst lag in 2022 bij de onderzochte leveranciers tussen 0 en 5 procent (src:2260). De oorzaak van het verdelingsprobleem ligt dus niet in winstmarges van leveranciers maar in de structuur van prijsvorming en kostentoedeling.
Effecten van de huidige situatie
Effecten van de situatie zonder nieuw beleid, in € miljoen per jaar met 1 decimaal. Negatief is een nadelig effect. Lage impact is de grens die het dichtst bij 0 ligt, hoge impact de grens die het verst van 0 ligt, voor positieve en negatieve effecten. Financiële effecten zijn begrotingsuitgaven, begrotingsinkomsten en gemiste belastinginkomsten; maatschappelijke effecten zijn welvaartseffecten; risico's staan als jaarlijkse bufferpremie, kans maal schade. Overdrachten en andere bedragen die niet in het saldo tellen staan apart en tellen niet mee in het totaal. Onderaan staat het totaal.
| Effect | Lage impact € mln/jaar | Midden € mln/jaar | Hoge impact € mln/jaar | Hoeveelheid | Bron |
|---|---|---|---|---|---|
| Indicatoren (hoeveelheden, tellen niet mee) | |||||
| Bestaanszekerheid (Niet-financieel) (indicator) | geen bedrag | 25 (25 tot 48) Index peiljaar 2026 | dp:1989 src:2258 src:2259 | ||
Niet-monetair, uitgedrukt in euro per huishouden per jaar. Stijging van het verbruiksonafhankelijke deel van de energierekening in 2026: ongeveer 25 euro per jaar landelijk gemiddeld, een stijging van 3,38 procent inclusief btw (src:2258), en ongeveer 4 euro per maand oftewel circa 48 euro per jaar in het verzorgingsgebied van Liander (src:2259). De bandbreedte is regionaal verschil en geen onzekerheidsmarge. Status: gemeten tariefbesluit, hoge betrouwbaarheid. Relevantie voor bestaanszekerheid: dit deel van de rekening is niet te verlagen door zuiniger te stoken. In hetzelfde jaar betalen grote afnemers op het hoogspanningsnet van TenneT 10 tot 12 procent minder, en stijgt bij Liander het gastarief voor huishoudens ongeveer 11 procent tegen ongeveer 5 procent voor elektriciteit. Deze regel telt niet mee in het welvaartssaldo; het gaat om een prijs, niet om een schade. | |||||
| Overdrachten (herverdeling) (indicator) | geen bedrag | – peiljaar 2025 | dp:1991 src:2257 | ||
PM, overdracht. Inframarginale opbrengsten door marginale prijsvorming op de groothandelsmarkt. De prijs van elektriciteit wordt gezet door de duurste benodigde eenheid, meestal een gascentrale, terwijl een groot deel van de productie uit goedkopere bronnen komt; het verschil is een overdracht van afnemers naar producenten met lagere kosten. Omvang niet ingevuld omdat daarvoor de productiemix per uur naast de day-aheadprijs moet worden gelegd en die berekening niet is uitgevoerd. Wat wel vaststaat: groothandelsprijs gas 29 euro per megawattuur en gemiddelde day-aheadprijs elektriciteit 94 euro per megawattuur in het najaar van 2025 (dp:1991, src:2257). Een overdracht telt nooit mee in het welvaartssaldo. Benodigde data: uurlijkse productiemix en marginale kosten per technologie. Wie heeft ze: ACM, TenneT en het CBS. | |||||
| Sectoraal effect gebruikers en producenten (indicator) | geen bedrag | – peiljaar 2026 | dp:1990 src:2258 src:2259 | ||
PM. Herverdeling van de vaste kosten van het gasnet over een krimpende gebruikersgroep. De ACM noemt dit expliciet als oorzaak van de tariefstijging: nu huishoudens minder aardgas gebruiken, worden de kosten van het gasnet over minder gebruikers verdeeld (src:2258). Bij Liander stijgt het gastarief voor huishoudens in 2026 dan ook ruim twee keer zo hard als het elektriciteitstarief, ongeveer 11 tegen ongeveer 5 procent (src:2259). De resterende gebruikers zijn juist de huishoudens die de overstap niet kunnen betalen, zodat de kostentoedeling regressief uitpakt. Niet gemonetariseerd omdat de toegerekende vaste gasnetkosten per resterende aansluiting niet zijn gepubliceerd. Benodigde data: ontwikkeling van het aantal gasaansluitingen en de daaraan toegerekende vaste kosten per jaar. Wie heeft ze: Netbeheer Nederland en de ACM. | |||||
| Gederfde inkomsten / belastinguitgaven (indicator) | geen bedrag | – peiljaar 2026 | geen bron | ||
PM, fiscaal. Verdelingseffect van de opbouw van de energiebelasting, waarin het tarief per eenheid daalt naarmate het verbruik stijgt, zodat huishoudens per kilowattuur en per kubieke meter meer betalen dan grootverbruikers. De omvang van dit effect is in deze analyse niet ingevuld, omdat de tarieven en schijven voor 2026 en de opbrengst per gebruikersgroep niet zijn geverifieerd. Hier staat bewust geen geschat bedrag; een getal zonder gecontroleerde tariefstaffel zou een aanname zijn die zich als meting voordoet. Benodigde data: tarieven en schijven energiebelasting 2026, opbrengst per schijf en de verdeling over huishoudens en bedrijven. Wie heeft ze: het Ministerie van Financien en de Belastingdienst. | |||||
| Financiele kwetsbaarheid en schulden huishoudens (indicator) | geen bedrag | – peiljaar 2026 | geen bron | ||
PM. Betalingsachterstanden op de energierekening en de schulden die daaruit voortkomen. Niet gemonetariseerd omdat er geen periodiek gepubliceerd landelijk cijfer is van het aantal huishoudens met een energieachterstand. Uitdrukkelijk geen overlap met de schuldenregels in ana:94, die premieschuld bij het CAK betreffen, en in ana:92 en ana:27. Benodigde data: aantal huishoudens met een betalingsachterstand op energie, periodiek gepubliceerd, en het aantal afsluitingen. Wie heeft ze: de energieleveranciers via de ACM en het CBS. | |||||
| Gezondheidsverlies en sterfte (QALY/VOLY) (indicator) | geen bedrag | – peiljaar 2024 | geen bron | ||
PM, bewust niet geteld. Gezondheidsverlies door koude woningen is al gemonetariseerd in ana:87, met een referentieschade van 782 miljoen euro per jaar en een bandbreedte van 100 tot 1.705 miljoen. Die post hoort bij energiearmoede en wordt hier niet herhaald; een schade telt maar op een plek. Deze regel staat in deze analyse alleen om de afbakening zichtbaar te maken en bevat daarom geen bedrag. | |||||
| Bredere economische effecten (indicator) | geen bedrag | – peiljaar 2026 | dp:1992 src:2257 | ||
PM. Verdelingseffect van dynamische contracten. In 2025 had ongeveer 7 procent van de huishoudens een dynamisch contract, een stijging van 36 procent tot meer dan een half miljoen huishoudens, naast 53 procent vast en 40 procent variabel; het overstappercentage bedroeg 15,1 procent (dp:1992, src:2257). Voordeel van een dynamisch contract veronderstelt de mogelijkheid verbruik te verschuiven, wat een warmtepomp, thuisbatterij of elektrische auto vergt. Zonder uitsplitsing naar inkomen is niet vast te stellen of dit voordeel terechtkomt bij wie het nodig heeft of bij wie kan investeren. Benodigde data: contracttype naar inkomensdeciel. Wie heeft ze: de ACM en het CBS. | |||||
Open data: help mee. Zie je een fout, een betere bron of een ontbrekend cijfer in deze analyse? Stel een correctie of aanvulling voor. Voorstellen worden alleen door een mens beoordeeld en doorgevoerd; elke wijziging wordt gelogd.
Correctie of aanvulling voorstellenAnalyse
Afbakening
Dit dossier gaat over de wijze waarop de prijs van energie voor huishoudens tot stand komt en over de verdeling van die prijs over gebruikersgroepen. Het gaat niet over energiearmoede en de gezondheidsgevolgen daarvan, die staan in ana:87, en niet over eigendom en afhankelijkheid in de energievoorziening, die staan in ana:5. Het gezondheidsverlies door koude woningen wordt hier uitdrukkelijk niet opnieuw geteld.
Wat de cijfers laten zien
In 2025 daalden de leveringstarieven over de hele linie: langlopende vaste contracten 14 procent onder de piek van februari 2025, eenjaarscontracten 8 procent en variabele contracten 7 procent, bij een groothandelsprijs voor gas van 29 euro per megawattuur en een gemiddelde day-aheadprijs voor elektriciteit van 94 euro per megawattuur (src:2257). De contractverdeling was 53 procent vast, 40 procent variabel en 7 procent dynamisch, waarbij het aantal dynamische contracten met 36 procent steeg tot meer dan een half miljoen huishoudens. Het overstappercentage bedroeg 15,1 procent over twaalf maanden. Tegelijk stijgen de nettarieven voor huishoudens in 2026 met 3,38 procent, ongeveer 25 euro per jaar, terwijl grote afnemers op het hoogspanningsnet 10 tot 12 procent minder betalen (src:2258). Bij Liander stijgt het gastarief voor huishoudens ongeveer twee keer zo hard als het elektriciteitstarief, 11 tegen 5 procent (src:2259).
De verschuiving die ertoe doet
De ACM raamt dat de totale kosten van het elektriciteitsnet stijgen van circa 7 miljard euro per jaar nu naar 18 tot 25 miljard euro per jaar over 25 jaar, en dat de transportkosten voor elektriciteit van een gemiddeld huishouden in 2050 uitkomen op 600 tot 800 euro per jaar (src:2258). Dat is een verdrievoudiging tot verdrievoudiging-plus van een kostenpost die niet afhangt van hoeveel iemand verbruikt. Voor bestaanszekerheid is dat het kernpunt: een huishouden dat zuinig stookt en weinig verbruikt kan zich wel aan het leveringsdeel onttrekken, maar niet aan het netdeel. Wie niet kan isoleren of niet van het gas af kan, betaalt bovendien mee aan een gasnet waarvan de vaste kosten over een krimpende groep worden verdeeld.
Wat niet is gemonetariseerd en waarom
In deze referentie is geen enkele regel in het welvaartssaldo opgenomen. Dat is een bewuste keuze en geen omissie. De grootste geldstromen in dit dossier zijn overdrachten: inframarginale opbrengsten door marginale prijsvorming, energiebelasting en de verdeling van nettarieven over gebruikersgroepen. Overdrachten tellen conform de Algemene leidraad voor maatschappelijke kosten-batenanalyse niet mee in het welvaartssaldo. De posten die wel een welvaartsverlies zouden zijn, namelijk gezondheidsschade door koude woningen en betalingsachterstanden, staan al in andere analyses of ontbreken aan data. Een referentieschade in geld zou hier dus ofwel dubbeltellen ofwel verzonnen zijn. De referentieschade is daarom PM, met per regel de benodigde data.
Beleidsrichtingen
Stoppen: de degressieve opbouw waarbij huishoudens per eenheid meer betalen dan grootverbruikers beeindigen, en in de nettarieven niet tegelijk huishoudens laten stijgen en grootverbruikers laten dalen zonder expliciete motivering. Oorzaken wegnemen: de kosten van het gasnet niet laten dragen door de krimpende restgroep maar collectief financieren als transitiekosten, en de prijsvorming ontkoppelen van de marginale gascentrale voor het deel van de productie dat niet uit gas komt. Schade herstellen: een vaste voet in de energierekening die naar draagkracht wordt geheven in plaats van per aansluiting. Weerbaarheid inbouwen: isolatie als publieke voorziening voor huishoudens die de investering niet kunnen voorfinancieren, zodat zuinig stoken ook feitelijk mogelijk is, en jaarlijkse publicatie van de verdeling van de energierekening over inkomensgroepen.
Methodische uitgangspunten
Prijspeil 2026, waarnemingsjaren 2025 en 2026, horizon 30 jaar. Discontovoet 2,8 procent voor jaar 0 tot en met 35 en 1,8 procent daarna, conform de Werkgroep discontovoet 2025, Kamerstuk 29352 nr. 12, geldend vanaf 1 januari 2026. Bedragen in miljoen euro per jaar, kosten negatief.
Betrokken bestuurders
Maatregelen
Herkomst van de bedragen per maatregel
Bronnen bij deze analyse
- ACM: huishoudens betalen in 2026 25 euro per jaar meer aan nettarieven gas en elektriciteitonline
- Energiemonitor ACM: gasprijs laag, energietarieven fors gedaald in 2025online
- Nieuwe tarieven netbeheerkosten 2026 bekendonline
- ACM: tarieven van Budget Thuis, Greenchoice en ENGIE niet onredelijkonline
Datapunten bij deze analyse
- 1989 euro per huishouden per jaar Stijging nettarieven voor een gemiddeld huishouden, 2026bron
- 1992 procent Contractverdeling huishoudens energie, 2025bron
- 1991 euro per megawattuur Groothandelsprijzen gas en elektriciteit, najaar 2025bron
- 1990 miljard euro per jaar Totale kosten elektriciteitsnet, nu en over 25 jaarbron